Artikel

Cyberpesten versus klassiek pesten: de rol van technologie

Auteur(s): 
Wannes Heirman - UA - MIOS

Net zoals op de speelplaats, de sportclub, de jeugdbeweging of andere plaatsen waar jongeren met elkaar omgaan, steekt pestgedrag ook de kop op wanneer jongeren met elkaar communiceren via informatie- en communicatietechnologieën (ICT). In dat opzicht kunnen we stellen dat klassiek pesten en cyberpesten in elkaars verlengde liggen. Ze lijken sterk op elkaar, aangezien het in beide gevallen om intentioneel gedrag gaat dat herhaaldelijk gesteld wordt om een andere persoon te schaden of te kwetsen. Uit onderzoek blijkt ook dat beide pestvormen nauw met elkaar verweven zijn: De traditionele pestkop breidt volgens onderzoek niet zelden zijn actieradius uit tot de online omgeving en een zelfde verwevenheid zien we ook bij slachtoffers. Gepeste leerlingen op de speelplaats worden ook in veel gevallen online geviseerd en belaagd.

De gelijkenis tussen klassiek pesten en cyberpesten mag dan wel zeer sterk zijn, toch zijn er ook een aantal punten waarop ze van elkaar verschillen. Naast uiteraard het feit dat cyberpesten een nieuwe gedigitaliseerde vorm van pesten is, zijn er nog vijf bijkomende karakteristieken van ICT die ervoor kunnen zorgen dat minderjarigen zich minder geremd voelen om te gaan pesten. Deze kenmerken worden ook vaak aangehaald als het gaat over de mogelijk zwaardere impact van cyberpesten in vergelijking met klassiek pesten.

Anonimiteit

Eén van de meest opvallende kenmerken van online communicatie is dat deze zich gemakkelijker leent tot het voeren van gesprekken waarbij de ware identiteit van de conversatiepartners geheim wordt gehouden. Diezelfde anonimiteit kan elektronische pestkoppen ook in staat stellen om buiten schot te blijven, wat ook een psychologisch ontremmend effect kan hebben (in de Engelstalige literatuur wordt er in dit verband verwezen naar het “disinhibition effect”) als gevolg van gepercipieerde straffeloosheid: de dader voelt dat hij niet gevat of betrapt kan worden en wordt daardoor extra getriggerd om te pesten. Uit het DICA-onderzoek blijkt inderdaad dat een aanzienlijk deel van de gecyberpeste jongeren niet weet wie achter de online pesterijen zit. Niet alleen belet dit het slachtoffer (of zijn/haar naaste omgeving) om een oplossing te zoeken voor zijn/haar probleem, maar bovendien kan de onzekerheid over de oorsprong van de pesterijen ook zorgen voor een gevoel van machteloosheid en frustratie bij het slachtoffer. Deze onzekerheid over de identiteit van de cyberpestkop kan ook bijdragen tot een verder machtsonevenwicht tussen dader en slachtoffer, wat een belangrijk kenmerk is van pestsituaties.

Een eindeloos publiek

Eén van de meest problematische aspecten van cyberpesten is dat door de digitale opbouw van ICT het mogelijk wordt voor daders om hun negatief online gedrag tentoon te spreiden voor een zeer ruim (theoretisch gezien zelfs eindeloos) publiek. Sullivan (2006) zegt: “Kinderen kunnen wreed zijn. En kinderen met technologie in handen kunnen wreed zijn op een wereldwijde schaal.” Onderzoek heeft aangetoond dat de emotionele impact van cyberpesten op het slachtoffer groter wordt naargelang de schaal waarop de pesterijen verspreid geraken. In een aantal cases van cyberpesten werden de pesterijen bekeken door een publiek van miljoenen internetgebruikers: Voorbeelden zijn de Megan Meier-case en de Star Wars Kid-case. Bijval oogsten op het internet geldt voor de cyberpestkoppen als een bewijs van hun macht en invloed en sterkt hen wellicht om het cyberpestpad niet te verlaten. Voor de slachtoffers geldt het omgekeerde en is die ervaring vooral traumatiserend.

De tijd- en plaatsonafhankelijkheid om te cyberpesten

In tegenstelling tot klassiek pesten is cyberpesten tijd- en plaatsonafhankelijk. Doordat technologie 7 dagen op 7 en 24 uur op 24 toegankelijk is voor jongeren (met uitzondering van de regels en beperkingen opgelegd door hun ouders en de school), kunnen cyberpestkoppen hierdoor onafgebroken hun pestactiviteiten verderzetten. Bij pesten in de schoolomgeving kent het slachtoffer nog een zekere mate van rust doordat de pesterijen ophouden van zodra het de schoolomgeving verlaat. Dat is bij cyberpesten niet langer het geval. Men zou kunnen argumenteren dat het gemakkelijk is om de computer en mobiele telefoon uit te schakelen, maar deze media bekleden een heel belangrijke plaats in het leven van de meeste jongeren. Het niet gebruiken van ICT in de thuisomgeving om zo gespaard te blijven van cyberpesten is een drastische keuze die impliceert dat het sociale netwerk van het slachtoffer grotendeels wordt afgesloten. Vandaar dat slachtoffers van cyberpesterijen, die vaak nood hebben aan steun vanuit hun sociale omgeving, deze keuze niet snel zullen maken. Het effect dat een onophoudelijke dreiging kan hebben op het slachtoffer, mag in geen geval onderschat worden.

Het cockpit effect

Wanneer jongeren met elkaar communiceren via het Internet of mobiele telefoon gebeurt dit meestal zonder het overbrengen van non-verbale signalen, zoals subtiele nuances in stemintonatie of gezichtsuitdrukkingen. Dit kan ook gevolgen hebben voor de manier waarop cyberpesten verloopt. Wanneer de dader van cyberpesten geen emotionele feedback krijgt van het slachtoffer, is het mogelijk dat de cyberpestkop alle gevoel voor empathie verliest en zich hierdoor genadeloos hard blijft opstellen ten opzichte van zijn slachtoffer. We stuiten hierbij op een analogie met een fenomeen dat ook werd vastgesteld in de psychologie van oorlogsvoering: het cockpit effect. Volgens de Oostenrijkse psycholoog Konrad Lorenz hadden gevechtspiloten tijdens Wereldoorlog II opmerkelijk minder emotionele moeilijkheden bij het aanvallen van de vijand in vergelijking met infanteristen. In tegenstelling tot gevechtspiloten, moesten soldaten op het oorlogsterrein wel het door hen aangerichte leed in nabijheid van het slachtoffer aanschouwen. De belangrijkste oorzaak waarom het voor piloten gemakkelijker was om schade te berokkenen, was volgens Lorenz de ruimtelijke scheiding tussen de piloot (op verre afstand in zijn cockpit) en zijn slachtoffers (op de grond). Uit focusgroepgesprekken met daders van cyberpesten blijkt dat een soortgelijk effect bij hen kan optreden.

Beperkte supervisie

Terwijl de echte speelplaats zich bij uitstek leent tot effectief toezicht door leerkrachten, blijkt surveilleren in cyberspace een veel moeilijkere aangelegenheid. Diverse online diensten hebben moderatoren die de publieke fora in de gaten houden. Van zodra minderjarigen echter met elkaar in dialoog gaan via private chat-kanalen (bv. Facebook Messenger, Instant Messaging of sms), dan wordt toezicht een veel moeilijkere aangelegenheid. Bovendien blijkt het controleren van de digitale activiteiten van minderjarigen helemaal een hachelijke onderneming in gezinnen waar de kinderen over een eigen digitaal toestel beschikken op de slaapkamer. De slaapkamer wordt hierdoor een ‘geconnecteerde ruimte’, waarbij de jongeren quasi zonder beperkingen en zonder enige vorm van controle toegang hebben tot de online wereld. Dit kan positieve gevolgen hebben, want de jongere kan zonder schaamte en ongeremd het internet gebruiken om positieve conversaties te voeren met andere leeftijdsgenoten. In het geval van cyberpesten kan dit er echter toe leiden dat het voor de jongere in kwestie als zeer onwaarschijnlijk aanvoelt dat hij betrapt zal worden op zijn negatief gedrag. Net zoals bij online anonimiteit kan de beperkte mogelijkheid tot supervisie verder pestgedrag stimuleren. Nu jongeren in toenemende mate gebruik maken van gsm-toestellen die hen de mogelijkheid bieden om permanent op het internet te surfen en via die weg te communiceren (de zogenaamde “smartphones”), komt de mogelijkheid tot toezicht mogelijk nog meer in het gedrang. Het wordt in die zin nog belangrijker om in te zetten op goede communicatie en betrouwbaar contact tussen jongeren en hun opvoeders. Op die manier blijven problemen bespreekbaar en kunnen positieve en negatieve ervaringen uitgewisseld worden die jongeren online en offline tegenkomen.

Lees meer over

Inhoud

This should be replaced by the table of contents

Gerelateerd

Onderzoeksproject
januari 2014 - december 2018
troll make internet mad
Artikel
2017