Onderzoeksresultaat

Hoe groot is het cyberpestprobleem?

Uit een grootschalig onderzoek in Vlaanderen blijkt dat ongeveer één op de tien Vlaamse jongeren recent slachtoffer of dader is geweest van online pesten*.

Tabel: Frequentie cyberpesten in Vlaanderen

Slachtoffers

Daders

Omstaanders

Nooit

93.3 % (1902)

94.3 % (1922)

74.2 % (1513)

Eén keer in deze zes maanden

2.9 % (59)

2.8 % (57)

7.2 % (147)

Enkele keren in deze zes maanden

1.9 % (38)

1.3 % (27)

10.6 % (217)

Eén keer per maand

0.5 % (11)

0.3 % (6)

1.3 % (27)

Enkele keren per maand

0.5 % (10)

0.5 % (10)

3.4 % (69)

Meerdere keren per week

0.9 % (18)

0.8 % (17)

3.2 % (65)

Nota: Het totaal aantal respondenten bedroeg 2058 leerlingen. Het  aantal leerlingen per antwoordcategorie wordt vermeld tussen haakjes.

Hoe oud zijn de meeste slachtoffers?

Als we de cijfers van naderbij bestuderen, dan zien we dat leeftijd een belangrijke rol speelt in het al dan niet betrokken zijn bij cyberpesten als slachtoffer. De meest recente cijfers uit de DICA studie tonen aan dat vooral leerlingen uit het zesde leerjaar en het eerste middelbaar slachtoffer zijn van cyberpesten. Ongeveer 10 à 15% van de ondervraagde jongeren van deze leeftijd geeft aan recent slachtoffer te zijn geweest van cyberpesten. Het aantal slachtoffers neemt vervolgens af naarmate de leeftijd stijgt. Ook klassiek pesten piekt bij leerlingen uit het zesde leerjaar van het basisonderwijs en het eerste jaar van het secundair onderwijs. In het zesde leerjaar geven zelfs drie op de tien jongeren aan slachtoffer te zijn geweest van klassiek pesten in het afgelopen half jaar. Meer meisjes dan jongens zijn recent slachtoffer geweest van cyberpesten en klassiek pesten.

Tabel: Leeftijd van slachtoffers bij cyberpesten en klassiek pesten

Slachtoffers

6deL.0.

1ste S.0.

2de S.0.

3de S.0.

4de S.0.

5de S.0.

Cyberpesten

15.6 %

9.8 %

5.9 %

5.4 %

6.1 %

4.0 %

Klassiek pesten

30.0 %

15.9 %

11.4 %

10.4 %

8.0 %

6.3 %

Nota: De afkorting L.O. staat voor Lager Onderwijs;  S.O. staat voor Secundair Onderwijs

Hoe oud zijn de meeste daders?

In vergelijking met het aandeel slachtoffers, geven heel wat minder jongeren aan dader te zijn van cyberpesten. Twee mogelijke verklaringen hiervoor zijn:

  • Jongeren durven/willen niet graag toegeven dat ze anderen online hebben gepest;
  • Online daders hebben het niet op één slachtoffer gemunt, maar pesten meerdere jongeren.

Ongeveer vijf op de honderd jongeren geven aan dader te zijn van cyberpesten. Dit aantal is ongeveer gelijk voor alle studiejaren, enkel voor het zesde leerjaar basisonderwijs en het derde jaar secundair onderwijs werd een hoger aantal genoteerd.  Het percentage daders van klassiek pesten ligt iets hoger, de cijfers schommelen tussen 5 en 15 procent. Het hoogste aantal werd, net als bij de slachtoffers, opgetekend voor leerlingen uit het zesde leerjaar (en eerste jaar secundair onderwijs). Meer meisjes dan jongens hebben recent iemand gepest via het internet of de gsm. Voor klassiek pesten daarentegen geven meer jongens dan meisjes aan recent dader te zijn geweest.

Tabel: Leeftijd van daders bij klassiek pesten en cyberpesten

Daders

6de  L.0.

1ste S.0.

2de S.0.

3de S.0.

4de S.0.

5de S.0.

Cyberpesten

6.9 %

4.9 %

4.3 %

8.0 %

4.9 %

4.6 %

Klassiek pesten

14.9 %

8.5 %

5.3 %

8.5 %

5.4 %

6.3 %

Nota: De afkorting L.O. staat voor Lager Onderwijs;  S.O. staat voor Secundair Onderwijs

Wie kijkt er mee (de omstaanders)?

Naast de daders en slachtoffers, kunnen we nog een derde pestrol onderscheiden, de omstaanders. Deze jongeren zijn “getuigen” van (cyber)pesterijen. Ze kunnen op verschillende manieren reageren, zoals het slachtoffer helpen of meepesten met de dader. Ze kunnen ook  beslissen om niets te doen en het cyberpesten op zijn beloop te laten. Ongeveer drie op de tien jongeren geven aan recent omstaander geweest te zijn van (cyber)pesten. Dit aantal ligt wat hoger voor klassiek pesten. Ongeveer zeven op de tien (67 %) getuigen van cyberpesten geven aan niets te doen. Vier op de tien helpen soms het slachtoffer (37 %) en een klein aantal jongeren doet mee met de pestkop (5 %)**.

Tabel: Leeftijd van omstaanders bij klassiek pesten en cyberpesten

Bijstaanders

6de L.0.

1ste S.0.

2de S.0.

3de S.0.

4de S.0.

5de S.0.

Cyberpesten

29.2 %

27.5 %

21.6 %

27.7 %

25.0 %

25.5 %

Klassiek pesten

42.6 %

39.0 %

28.4 %

37.3 %

28.0 %

30.9 %

Via Facebook, Snapchat of sms?

Cyberpesten vindt vooral plaats op sociale netwerksites: ongeveer zes op de tien slachtoffers zijn via deze weg recent gepest geweest. Naast sociale netwerksites worden jongeren ook geconfronteerd met pesterijen voornamelijk via sms (ongeveer vier op de tien slachtoffers), gevolgd door online games (iets minder dan twee op de tien slachtoffers), ‘forums, blogs of andere websites’ (ongeveer één op de tien slachtoffers) en telefoongesprekken via gsm (ongeveer één op de tien slachtoffers)***.

Grafiek: Cyberpesten volgens medium van voorkomen (in %)***

Door wie worden slachtoffers van cyberpesten meestal gepest?

Jongeren worden vooral gecyberpest door andere jongeren en minder door volwassenen. Meer dan drie op de tien slachtoffers werden recent gepest door iemand uit de eigen klas. In twee op de tien slachtoffers werden gecyberpest door iemand uit hetzelfde (studie)jaar. Twee op de tien slachtoffers werd het mikpunt van cyberpesten door een leerling van op school, maar niet uit de klas of uit hetzelfde (studie)jaar. Toch zijn er vaak ook onbekenden betrokken bij de cyberpesterijen: ongeveer één op de vier slachtoffers geeft aan dat hij/zij onlangs gecyberpest werd door jongeren die hij/zij enkel online kent en één op de vier slachtoffers geeft aan dat hij/zij niet zeker weet wie de dader is***.

Grafiek: Van waar kent het slachtoffer de dader van cyberpesten (in %)***?

Besluitend kunnen we stellen dat, op basis van deze recente studie, één op de tien Vlaamse jongeren het slachtoffer is geweest van cyberpesten. Dit is minder dan het aantal slachtoffers dat getroffen wordt door klassiek pesten. Uit het onderzoek blijkt dat meisjes zowel meer slachtoffer als dader zijn. De meest voorkomende vormen van cyberpesten vindt men terug op sociale netwerksites.  In één op de vijf gevallen weet het slachtoffer niet zeker wie de dader is. Dit kan het ingrijpen en oplossen van de pestsituatie bemoeilijken.


*De DICA studie (“Developmental Issues in Cyberbullying among Adolescents”) van de onderzoeksgroep MIOS (Universiteit Antwerpen) onderzocht een panel van leerlingen gedurende twee jaar (schooljaar 2011-2012 en 2012-2013), tijdens vier meetpunten met telkens zes maanden tussen elk meetpunt. De data die hier worden gepresenteerd zijn verzameld met een schriftelijke enquête tijdens het vierde meetpunt (mei 2013) bij leerlingen uit het zesde leerjaar basisonderwijs tot en met het vijfde jaar secundair onderwijs. Er werd voor deze groep gekozen, omdat voorgaand onderzoek heeft aangetoond dat cyberpesten het sterkst aanwezig is bij deze leeftijdscategorie. In totaal namen er 2058 leerlingen deel tijdens de verzameling. In het DICA-onderzoek werd (cyber)pesten als volgt gedefinieerd:  “We spreken van pesten als: (1) mensen meer dan één keer gemene of kwetsende dingen doen of zeggen; (2) de pestkop de bedoeling heeft om anderen slecht te laten voelen; (3) wie gepest wordt zich moeilijk kan verdedigen. Het is dus NIET pesten als vrienden elkaar plagen of ruzie maken.”

Vervolgens gaven de jongeren aan hoe dikwijls ze in de afgelopen zes maanden gepest zijn geweest (slachtofferschap), zelf hebben gepest (daderschap) of hebben gezien dat anderen werden gepest (omstaanderschap) via internet of gsm op een schaal van (1) Nooit tot (6) Meerdere keren per week (zie tabel).

** Jongeren kunnen bij deze vraag meerdere antwoorden aanduiden, omdat ze mogelijks verschillend hebben gereageerd bij het waarnemen van meerdere cyberpesterijen. Om deze reden is de som van de percentages niet gelijk aan honderd.

*** Bij deze vragen zijn meerdere antwoorden mogelijk en kunnen de percentages niet opgeteld worden.

Werken mee aan dit initiatief

Thema: onderwerp

Thema: media

Gerelateerd

Onderzoeksproject
januari 2014 - december 2018
troll make internet mad
Artikel
2017