Artikel

Wat is mediawijsheid? Over de waarde van mediawijsheidmodellen

Auteur(s): 
Justine Pardoen -

Lesgeven over media is geen nieuw fenomeen. Al sinds de jaren tachtig wordt in meer of mindere mate geprobeerd om kinderen kennis en vaardigheden bij te brengen in hun omgang met media. In de jaren negentig werd dit media-educatie genoemd. Het kritisch analyseren van kranten, tv-programma’s, films, tijdschriften, etc. stond daarbij centraal. Na verloop van tijd voldeed die term niet meer, onder andere omdat hij te veel gekoppeld was aan ‘de oude media’ die relatief passief geconsumeerd worden. Dit in tegenstelling tot ‘nieuwe media’, die een veel actievere rol mogelijk maken. Met de opkomst van deze ‘nieuwe media’ wordt nu gesproken over ‘mediawijsheid’.

De term ‘mediawijsheid’ wordt voor het eerst genoemd in 2005, in een (ongevraagd) advies van de Raad voor Cultuur aan de overheid. In dat adviesrapport, genaamd ‘Mediawijsheid: de ontwikkeling van nieuw burgerschap’, pleit de Raad voor Cultuur voor meer aandacht voor de mediawijsheid van álle Nederlandse burgers. Dus niet alleen kinderen. Volgens de Raad voor Cultuur is ‘media-educatie’ te passief, te betuttelend, te beschermend en niet meer van deze tijd. De introductie van het nieuwe begrip ‘mediawijsheid’ moet uitdrukking geven aan een nieuw elan, met nieuwe inzichten en aandacht voor nieuwe ontwikkelingen.

Dat leidde onder meer tot de oprichting van het Expertisecentrum Mediawijsheid Mediawijzer.net in Nederland en Mediawijs.be in Vlaanderen. Er zijn volop ontwikkkelingen om ouders, leraren en jeugdprofessionals te ondersteunen. Over enkele maanden wordt een nieuw rapport van de Raad van Cultuur verwacht: de stand van zaken na 10 jaar ‘mediawijsheid’.

Meedoen, een stem laten horen, jezelf ontwikkelen en samenleven

Volgens de Raad voor Cultuur gaat het bij mediawijsheid om drie belangrijke activiteiten:

  1. Functioneren: Mediawijsheid is nodig om optimaal te kunnen functioneren in de hedendaagse maatschappij.
  2. Participeren: Mediawijsheid is nodig om goed te kunnen participeren in het maatschappelijk proces.
  3. Produceren: Mediawijsheid is nodig omdat de nieuwe media (met name het internet) uitnodigen tot het produceren (en publiceren) van content door niet-professionals.

Kinderen, jongeren én volwassenen moeten mediawijs worden gemaakt om ervoor te zorgen dat ze met behulp van media zichzelf kunnen uiten en kunnen meedoen in de samenleving. Wanneer burgers dat niet kunnen, is dat niet alleen een individuele beperking, het is ook een bedreiging voor onze democratie.

Mediawijsheid heeft dus vooral te maken met participatie. Wij zien mediawijsheid dan ook als een belangrijke, fundamentele voorwaarde – vergelijkbaar met lezen en schrijven -- om mee te kunnen doen op alle niveaus in het leven in de 21e eeuw:

  1. als burger in een democratie
  2. als deelnemer aan onderwijs (leerling, student)
  3. als professional (werknemer, ondernemer)
  4. en als mens in persoonlijke relaties

Om goed te kunnen meedoen in deze nieuwe eeuw moet je niet alleen begrijpen hoe mediaboodschappen tot stand komen, hoe ze geïnterpreteerd worden en hoe je beïnvloed wordt (receptie – het vroegere media-educatie), je moet ook weten hoe je zelf kunt deelnemen aan sociale netwerken en hoe je media maakt en gebruikt om je doelen te bereiken (productie). Je moet weten welke middelen je tot je beschikking hebt, en hoe je ze verantwoordelijk gebruikt. Denk aan forum-postings, sociale netwerken, #dtv, apps, weblogs, vlogs, YouTube-filmpjes, Wikipedia-lemmata, aggregatie, curatie, widgets, mashups, etc. Mediawijsheid gaat dus over denken én doen. Over nadenken en meedoen. Het gaat niet alleen om kennis en technische vaardigheden, maar ook om analytische vaardigheden, een kritische houding, leren van je ervaringen en (zelf)reflectie.

Freek Zwanenberg en ik presenteerden in het Handboek Mediawijsheid op School (2010) dan ook de volgende definitie van mediawijsheid.

Mediawijs ben je als je media kunt inzetten voor je eigen ontwikkeling en welzijn, én dat van anderen.

Hiermee geven we aan dat het gaat om mediagebruik waarbij alle te onderscheiden afzonderlijke vaardigheden, in dienst komen van het doel. Net als met kunnen lezen en schrijven: dat is ook geen doel op zich, maar staat in dienst van die functies ‘functioneren, participeren en produceren’. Anders gezegd: meedoen, een stem laten horen, jezelf ontwikkelen en samenleven met anderen.

Zo gezien is mediawijsheid niet iets wat los staat van andere wezenlijke vaardigheden die we jongeren willen bijbrengen. Vergelijk het met leren lezen en schrijven; dat is ook geen doel op zich, maar brengt je verder in het leven.

Van mediawijsheid naar digitale geletterdheid

Inmiddels wordt in het onderwijs en daarbuiten niet alleen gesproken over mediawijsheid, maar vaak ook over ‘digitale geletterdheid’. Deze digitale geletterdheid is benoemd als een onderdeel van de ‘21e eeuwse vaardigheden’, die door het onderwijs enthousiast worden omarmd. 

In  2014 verscheen het rapport, 21e eeuwse vaardigheden in het curriculum in van het funderend onderwijs (van A. Thijs, P, Fisser & M. van der Hoeven) Daarin worden verschillende definities en begrippen op een rij gezet en in onderling verband bekeken. In het rapport wordt een duidelijke keuze gemaakt voor digitale geletterdheid als overkoepelende benaming voor het geheel van kennis, houding en vaardigheden die nodig zijn om te kunnen functioneren in onze huidige informatiesamenleving.

SLO schrijft:

‘Digitale geletterdheid kan gezien worden als de paraplu waar de andere vaardigheden onder passen. (…) Op basis van de beschikbare literatuur concluderen wij dat digitale geletterdheid een combinatie is van ICT-(basis)vaardigheden, computational thinking, informatievaardigheden en mediawijsheid. Dit betekent dat iemand die informatievaardig is nog niet per se mediawijs of digitaal geletterd is. Een digitaal geletterde bezit een complete set aan ICT-(basis)vaardigheden, computational thinking skills, informatievaardigheden en mediawijsheidcompetenties.’ 

Informatievaardigheden, dat zijn de vaardigheden die helpen bij het zoeken, vinden, beoordelen en verwerken van informatie op internet. Wij willen daar nog aan toevoegen dat ook het goed kunnen lezen van online teksten (online tekstbegrip) hierbij hoort, als nieuw te onderscheiden vaardigheid, waar nog weinig onderzoek naar gedaan is, op het pionerende onderzoek van Jeroen Clemens na. Onder het begrip computational thinking verstaan we de manier van denken die nodig is om computers te gebruiken. Bij computational thinking gaat het om het analyseren en logisch organiseren van data, het herformuleren van problemen en vraagstellingen en het zelf kunnen aansturen van computers en computergestuurde apparaten, zoals bij programmeren.

Digitale geletterdheid in het onderwijs

SLO benadrukt in het rapport dat veel van de vaardigheden die onder de ‘21e eeuwse vaardigheden’ vallen, niet nieuw zijn. Sterker nog: de denkvaardigheden voeren terug naar de klassieke retorica en filosofie. Maar onze huidige samenleving is zo complex en veranderlijk, dat leerlingen nu méér dan ooit behoefte hebben aan een stevig fundament, waarmee ze kunnen meebewegen met alle toekomstige veranderingen.

Het heeft bijvoorbeeld meer zin om kinderen te leren wat een presentatie tot een goede presentatie maakt, dan ze alleen te toetsen op hun kennis van Powerpoint. En zo wordt het belangrijker om te leren hoe je een goed betoog opzet, hoe je denkfouten herkent, hoe je gezamenlijk en op afstand kunt werken aan een oplossing van een complex probleem, hoe je (sociale) media kunt inzetten om je doelen te bereiken, hoe je omgaat met verschillen tussen mensen en culturen en hoe je van alle ervaringen kunt leren en kunt reflecteren op je eigen handelen.

In de moderne, complexe samenleving is het belangrijker geworden dan ooit dat alle leerlingen beschikken over conceptuele en meta-cognitieve kennis op het gebied van samenwerken, communicatie, sociaal-cultureel bewustzijn en digitale geletterdheid. Dat geldt dus niet alleen meer voor hogere functies. Maar hoewel het nut van deze vaardigheden door niemand wordt betwijfeld, heeft dat nog niet geleid tot de nodige veranderingen in het onderwijs, constateert SLO.

In het rapport brengt SLO de begripschaos (mediawijsheid, digitale geletterdheid, 21e eeuwse vaardigheden) netjes in kaart en alleen al daarom is het een belangrijk document.

SLO onderscheidt uiteindelijk acht 21e eeuwse vaardigheden:

Drie denkvaardigheden:

  1. Creativiteit
  2. Kritisch denken
  3. Probleemoplosvaardigheden

Drie basisvaardigheden:

  1. Communiceren
  2. Samenwerken
  3. Digitale geletterdheid

Twee inter-/intrapersoonlijke vaardigheden:

  1. Sociale en culturele vaardigheden
  2. Zelfregulering

Digitale geletterdheid omvat dus:

  1. ICT-basisvaardigheden
  2. computational thinking skills
  3. informatievaardigheden
  4. mediawijsheid

In het onderwijs is men voortdurend bezig om leerlingen voor te bereiden op een eigen plek in onze snel veranderende samenleving. Er wordt in de hele wereld nagedacht over wat de nieuwe generatie nodig heeft in termen van deze en vergelijkbare 21e eeuwse vaardigheden. De benoeming van de 21e eeuwse vaardigheden kan het onderwijs praktisch houvast bieden. Het is dan ook goed om de plaats van mediawijsheid hierbinnen goed te bepalen.

Mediawijsheid als onderdeel van digitale geletterdheid

Digitale geletterdheid bestaat uit vier componenten:

De afgelopen jaren is ’mediawijsheid’ een containerbegrip geworden waar veel, misschien wel te veel, onder werd geschaard. Ben je een mediawijze school als je aan 12-jarigen lesgeeft over sexting en grooming, of pas als je leerlingen in een eigen studio media leert maken? Mediawijsheid staat inmiddels voor zo’n beetje ‘alles wat te maken heeft met media, ICT en hoe je hiermee moet werken’. Inmiddels wordt zelf het leren programmeren of coderen onder de noemer ‘mediawijsheid’ geschaard. Scholen hebben daardoor soms wat weinig praktisch houvast en de kwaliteit van het mediawijsheidonderwijs verschilt daardoor enorm per school. Dat is niet goed: kinderen hebben er recht op dat ze op alle scholen dezelfde kansen krijgen. We zouden het ook niet accepteren als kinderen sommige scholen kunnen verlaten zonder dat ze goed kunnen lezen en schrijven…

Ik stel dan ook voor om mediawijsheid te zien als een onderdeel van de digitale geletterdheid, en dat we naast mediawijsheid ook onderscheiden: ict-basisvaardigheden, informatievaardigheden (waaronder online tekstbegrip) en computational thinking skills. Digitale geletterdheid is dus niet iets nieuws, maar de paraplu waaronder al deze vaardigheden schuil gaan.

Digitale geletterdheid is daarmee dus de optelsom van ict-basisvaardigheden, computational thinking, mediawijsheid en informatievaardigheden. Onderling hangen deze vaardigheden overigens nauw met elkaar samen: zo veronderstellen analytische mediawijsheidvaardigheden een zeker niveau van ict-kennis en informatievaardigheden. Mediawijsheidvaardigheden kun je bovendien slecht meten in een vacuum: als het goed is, ontwikkel je ze in samenhang met andere vaardigheden. Toch kunnen we proberen om mediawijsheid te beschouwen als een van de vier componenten van digitale geletterdheid.

Mediawijsheidmodellen: de Mediawijsheidcirkel en het Competentiemodel Mediawijsheid

In het Handboek Mediawijsheid op School (2010) hebben we vier aspecten van mediawijsheid geïntroduceerd aan de hand van de Mediawijsheidcirkel. We herhalen ze hier als volgt:

  1. begrip van de werking en invloeden van media (Analyse)
  2. vaardigheden die je nodig hebt om media-tools passief en actief te gebruiken (Techniek)
  3. in staat zijn op een creatieve manier media in te zetten voor expressie en communicatie (Creatie)
  4. weten wat je doet en met welk doel (Reflectie) 

De Mediawijsheidcirkel is bedoeld als reflectie-instrument en in de jaren na de introductie bleek het inderdaad een handig hulpmiddel voor het onderwijs, om het gesprek aan te gaan met collega’s over hoe je mediawijsheid wilt integreren in het curriculum. Ook is het ingezet om te analyseren hoe mediawijs het huidige curriculum al is (welke aspecten zitten al verwerkt in het huidige lesprogramma) en welke prioriteit je wilt geven aan het uitbreiden daarvan. In Vlaanderen worden sinds 2014 mediacoaches opgeleid met behulp van de Mediawijsheidcirkel (zie Mediawijze MOOC en Mediacoach Linc). De begrippen van de vier kwadranten zijn onderscheidend, relevant en bruikbaar gebleken.

De Mediawijsheidcirkel kan worden ingezet om op verschillende niveaus de huidige mediawijsheidsituatie in kaart te brengen. Op persoonlijk niveau (de individuele leerkracht), op het niveau van het team als geheel, het niveau van een klas en op het uitstroomniveau van kinderen uit het basisonderwijs bijvoorbeeld. Ook is het handig om onderwijsdoelen te formuleren en om na te gaan wat nu al gedaan wordt. Scholen bleken aan de hand van de Mediawijsheidcirkel sneller zicht te krijgen op de onderdelen waar een goede leerlijn Mediawijsheid uit zou moeten bestaan. Er zijn scholen die een doorlopende leerlijn hebben ontwikkeld aan de hand van de Mediawijsheidcirkel.

In 2010 introduceerde Mediawijzer.net het Competentiemodel Mediawijsheid als instrument om mediawijsheidcompetenties in kaart te brengen en meetbaar te maken. Aan de hand van dit model kun je voor verschillende doelgroepen subcompetenties onderscheiden die op verschillende niveaus worden uitgewerkt. Zo bestaat er inmiddels een uitwerking voor leerlingen po, po-leerkrachten en pabo-studenten, zie het competentiemodel van Mediawijzer.

De vier basiscompetenties die in het Competentiemodel onderscheiden worden, zijn dus:

  1. Begrip
  2. Gebruik
  3. Communicatie
  4. Strategie

Beide modellen kunnen naast elkaar bestaan als verschillende instrumenten. Je kiest een instrument afhankelijk van het doel dat je hebt. Soms is dat een hamer, soms een nijptang; zo kies je in het ene geval voor de Mediawijsheidcirkel, in het andere geval voor het Competentiemodel. Modellen zijn immers maar modellen: instrumenten waarmee je vanuit een bepaald perspectief iets kunt analyseren.

Maar bij nadere beschouwing is het ook mogelijk om de vier basisbegrippen van de Mediawijsheidcirkel te integreren in het Competentiemodel Mediawijsheid.

In bovenstaande cirkel zijn de begrippen van het Competentiemodel verbonden aan de begrippen van de Mediawijsheidcirkel. De begrippen hangen namelijk logisch met elkaar samen:

  1. Om te komen tot Begrip, is Analyse nodig.
  2. Via Techniek kom je tot Gebruik.
  3. Via Creatie komt je tot zelfexpressie en Communicatie.
  4. Om Strategisch gebruik te kunnen maken van media, moet je kunnen Reflecteren.

De begrippen van de Mediawijsheidcirkel, lijken dan ook elk fundamenteler dan die van het Competentiemodel: ze benoemen een wezenlijk aspect van mediawijsheid, terwijl de begrippen van het competentiemodel gezien kunnen worden als aanduiding van de functie van dat aspect: het een ligt ten grondslag aan het ander.

  1. Analyse ligt ten grondslag aan begrip: de functie van analyse is begrip.
  2. Techniek ligt ten grondslag aan gebruik. Anders gezegd: de functie van technische kennis en vaardigheden is het gebruik van die technieken.
  3. Creatie ligt ten grondslag aan communicatie: de functie van creatie is zelfexpressie of communicatie, maar denk ook aan kunst.
  4. Reflectie ligt ten grondslag aan strategisch of doelgericht handelen: de functie van reflectie is dat je je handelen kunt afstemmen op je oordelen.

Als we deze relatie tussen de twee begrippen-sets eenmaal inzien, is het ook begrijpelijk dat sommige professionals die met de beide modellen gewerkt hebben, de begrippen van de cirkel ‘intuïtiever’ vinden. Tegelijkertijd laat deze exercitie ook zien, dat het eigenlijk niet uitmaakt welke set begrippen je kiest: gebruik vooral dat wat voor jouw doel het beste werkt.

Mediawijsheid in schema

De rol van het onderwijs

Gelukkig denkt bijna niemand meer dat kinderen vanzelf wel mediawijs en digitaal geletterd worden, ook al hebben jonge mensen een bepaalde natuurlijke handigheid met knoppen en schermpjes waar volwassenen van onder de indruk kunnen raken. Inmiddels weten we dat kinderen, maar ook pubers en adolescenten, niet alleen actief begeleid moeten worden in hun gebruik van media om problemen te voorkomen. Ze moeten ook worden ‘opgetild’, zodat ze media veel beter kunnen inzetten voor hun eigen ontwikkeling en welzijn, en dat van anderen.

De grootste groep kinderen doet wel van alles online, maar daarbij maken ze ook de nodige fouten en is er juist bij jonge mensen nog grote onwetendheid over de effecten en over alle mogelijkheden van media. Juist hier ligt dus een belangrijke taak voor het onderwijs, maar uit onderzoek blijkt dat van alle 21e eeuwse vaardigheden, juist aan alle aspecten van digitale geletterdheid het minst aandacht wordt besteed in het curriculum van het basisonderwijs (po) en het voortgezet onderwijs (vo). Van de onderdelen van digitale geletterdheid – ict-basisvaardigheden, computational thinking, informatievaardigheden en mediawijsheid -- krijgt mediawijsheid nog het minste aandacht. (Zie brochure SLO, blz. 82)

In ander onderzoek werd duidelijk dat van de aspecten van mediawijsheid vooral Reflectie nauwelijks tot geen aandacht krijgt in het curriculum. Aandacht voor Techniek lijkt het meest aanwezig. Zie A. Walraven e.a. mei 2013, zie Mediawijsheid in het primair onderwijs [literatuurlijst] en A. Walraven e.a. oktober 2014, zie Mediawijsheid in het voortgezet en middelbaar beroepsonderwijs.

In onderzoek van SLO gaven schooldirecties en leraren zelf aan dat digitale geletterdheid van alle 21e eeuwse vaardigheden ook de vaardigheid is waar ze de meeste ondersteuning bij nodig hebben. Daarbij gaat het om zowel ICT-(basis)vaardigheden, computational thinking en om mediawijsheid. Leraren hebben tijd nodig voor nascholing, maar ook om op school na te denken over hoe ICT ingezet kan worden en om nieuwe toepassingen uit te proberen. Verder wordt aangegeven dat er meer tijd en aandacht aan de 21e eeuwse vaardigheden besteed zou moeten worden tijdens de lerarenopleidingen. (zie SLO 2014b, blz. 90)

De Raad voor Cultuur stelde in 2005 voor om mediawijsheid te integreren in het burgerschapsonderwijs, waarin aandacht is voor actief burgerschap en sociale integratie. Er zou dan ook geen apart vak mediawijsheid hoeven te worden ingevoerd. Net als aan burgerschap, zou ook aan mediawijsheid vakoverstijgend in het curriculum aandacht moeten worden besteed. 

De Nederlandse overheid nam het (ongevraagde) advies van de Raad voor Cultuur ter harte, maar zag geen reden om mediawijsheid apart te benoemen in de kerndoelen voor het onderwijs. Waar de Raad van Cultuur heel nadrukkelijk de koppeling maakte tussen mediawijsheid en burgerschapsonderwijs, wordt dat door de Nederlandse regering niet opgepakt: zij legde juist weer meer nadruk op het protectionistische doel van mediawijsheid-onderwijs: het weerbaar maken van jongeren. De Raad voor Cultuur spreekt nergens van ‘gevaren’, ‘veiligheid’ of ‘veilig mediagebruik’, terwijl dat wel is wat mediawijsheid in de jaren daarna is gaan betekenen. In Vlaanderen zie je vergelijkbare bewegingen.

Inmiddels wordt sinds eind 2014 zowel in Nederland als in Vlaanderen, net als in veel andere delen van de wereld, een brede dialoog gevoerd over de toekomst van ons onderwijs. Er worden natuurlijk stokpaardjes bereden en er wordt politiek bedreven. Het is dan ook de vraag hoe voortvarend we durven te zijn. Het gaat uiteindelijk om een belangrijk aspect van de geletterdheid van een nieuwe generatie, die niet uit zichzelf leert ‘lezen en schrijven met media’. Sterker nog: er gaapt een steeds grotere kloof tussen wat jongeren van dezelfde generatie kunnen: de have’s en de have-not’s (zie onderzoek van Alexander van Deursen en Jan van Dijk, TU Twente). Als we niet oppassen en te lang in dialoog blijven hangen zonder daadwerkelijk iets te doen, laten we een grote groep jongeren in de kou staan.

De ideale situatie

In het ideale geval hebben alle scholen een positieve en constructieve houding tegenover het gebruik van digitale media, die wordt uitgedragen door alle docenten. In tegenstelling tot een visie op mediawijsheid die gericht is op het voorkomen van gevaarlijk mediagedrag, zal een visie vanuit het stimuleren van democratisch burgerschap ertoe leiden dat docenten leerlingen intensief begeleiden bij hun mediagebruik, en hen aanmoedigen met nieuwe toepassingen te gaan experimenteren en de waarde ervan te onderzoeken voor het bereiken van hun doelen.

Het onderwijs wordt met deze aanpak veel uitdagender voor leerlingen, omdat het relevanter is voor hun persoonlijke mediagebruik. Het onderwijs kan daarmee een positieve invloed hebben op dat persoonlijke mediagebruik, en leerlingen hopelijk stimuleren nieuwe ambities te ontwikkelen. Tegelijkertijd leert het leerlingen dat ze een verantwoordelijkheid hebben om media te gebruiken zonder schade toe te brengen aan anderen. Deze vorming tot digitaal burger wordt ook wel ‘digitaal burgerschap’ genoemd (als vertaling van ‘digital citizenship’). Het idee is dat het zal ertoe zal bijdragen dat kinderen en jongeren minder de neiging krijgen om over hun eigen of andermans grenzen te gaan.

Dit alles is samen te vatten in een duidelijke visie op wat mediawijsheidonderwijs inhoudt: het intensief begeleiden van kinderen bij het inzetten van media voor het eigen welzijn en persoonlijke ontwikkeling, als onderdeel van diens vorming tot volwaardig democratisch burger van de 21e eeuw.

Niet dralen maar doen

We kunnen eindeloos blijven praten over wat nu eigenlijk die 21e eeuwse vaardigheden zijn. Over of we nu wel of niet kinderen moeten leren programmeren, en hoe dan. Of we mediawijsheid moeten opnemen in het het curriculum en wat we dan met die digitale geletterheid moeten. Maar op enig moment zullen we ook gewoon een beslissing moeten nemen om alle noodzakelijke vaardigheden te integreren in het onderwijs. Niet dralen maar doen. En welk mediawijsheidmodel je daarbij gebruikt, is om het even: kies wat past, of ontwikkel er zelf een! Zolang het maar je doel dient: het mediawijs maken van de nieuwe generatie kinderen en jongeren, zodat ze kunnen ‘leren en schrijven met media’. 

Lees meer over